De Zwanzederby, de enige echte broedertwist van Brussel

11 maart 2021 - 12:28

Door: Sander Grasman

In de voetbalgeschiedenis hebben vele teams de top weten te bereiken, maar lang niet allemaal slaagden zij erin daar te blijven. Hoe liep het af met de teams die van de rots kukelden? In deze serie gaan we op zoek naar de verhalen achter de vergane glorie en hoe het nu gaat met de clubs die ooit de trotse kampioenen waren. Met dit keer de Belgische Zwanzederby, de enige echte broedertwist van Brussel.

Zeg je Brussels voetbal, dan denk je tegenwoordig onmiddellijk aan het paars-wit van RSC Anderlecht. Hoewel die club sinds jaar en dag veruit de meest succesvolle van de stad is, zullen aanhangers van Union Saint-Gilloise en RWDM geen kans onbenut laten om te benadrukken dat paars-wit het vooral van supporters van buiten de stad moet hebben. “De fans van Union en RWDM zijn echte Brusseleirs.” 

EERSTE KLASSE

Net als in de omringende landen ontstond er in België aan het eind van de negentiende eeuw de behoefte aan een eigen competitie. Deze zag in 1895 daadwerkelijk het levenslicht, toen zeven clubs besloten het tegen elkaar op te nemen in een nationale Eerste Klasse. De meerderheid van deze verenigingen kwam uit de hoofdstad, terwijl Luik (de eerste kampioen), Brugge en Antwerpen alle door één elftal werden vertegenwoordigd. Hoewel drie van de eerste vier Belgische kampioenschappen gewonnen werden door de Luikse ploeg, was het na de eeuwwisseling aan de Bruxellois. Van 1900 tot de Eerste Wereldoorlog de competitie veertien jaar later stillegde, verdeelde drie clubs uit de hoofdstad onderling alle nationale titels: Racing Club de Bruxelles, Daring Bruxelles FC en Union Saint-Gilloise.

STAMNUMMER

Sinds 1926 kent de Belgische voetbalbond stamnummers toe aan alle aangesloten verenigingen. De clubs die voordien al ingeschreven stonden kregen op chronologische volgorde van oprichting een nummer toegewezen. Royal Antwerp mocht als oudste club van het land stamnummer 1 dragen, maar achter hen telde de ‘top 10’ maar liefst vier Brusselse teams: Daring (2), Léopold FC (5), Racing Club (6) en Union (10). In een land waar hiërarchie en anciënniteit van groot belang zijn, is iets als een stamnummer bij uitstek een manier om elkaar de loef af te steken. Dat Anderlecht het moet doen met stamnummer 35 is dan ook een hard gelag voor de recordkampioen.

UNION

Paars-wit zou pas na de Tweede Wereldoorlog haar eerste kampioenschap vieren. Daarvoor waren het de andere Brusselse clubs, en dan met name Union, die de scepter zwaaiden in de Belgische Eerste Klasse. Tot op de dag van vandaag hoeft Union slechts twee teams, Anderlecht en Club Brugge, boven zich te dulden in de eeuwige ranglijst van Belgische landskampioenen. Dat hebben ze vooral te danken aan twee sterke periodes: het decennium voor de Eerste Wereldoorlog en de eerste helft van de jaren dertig, waarin de club zelfs 60 wedstrijden ongeslagen bleef.

PRIJZENSLAG

In de zomer van 1901 maakte Union haar entree in de Eerste Klasse. Al snel deed de ploeg mee om de prijzen en na amper drie jaar was het raak. Met een eerste plaats in de Eere Afdeling A, op ruime afstand van de nummer twee, had Union kwalificatie voor de Eindronde veiliggesteld en ook in de beslissende groepsfase staken les Unionistes met kop en schouder boven de rest uit. In zes wedstrijden behaalde men evenveel punten als de andere drie teams bij elkaar. De prijzen volgden elkaar vanaf dat moment in rap tempo op. Tot het Belgische voetbal in 1914 werd stilgelegd kon de club nog zes titels en twee nationale bekers bijzetten in de prijzenkast.

DERBY OM DE TITEL

Op 27 april 1913 moest er op het veld van stadgenoot Léopold FC een beslissingswedstrijd aan te pas komen om de strijd om de Belgische titel te beslechten. Regerend kampioen Daring en Union waren namelijk beide op 38 punten geëindigd, nadat in een onderling duel op de tweeëntwintigste en laatste speeldag Union met een overwinning op gelijke hoogte was gekomen. Ook tijdens het slotstuk trok Union weer aan het langste eind en zo kroonde men zich andermaal tot Belgisch kampioen. Dat alles kwam vervolgens nog wel in het geding, toen de winnende club van professionalisme werd beschuldigd, maar omdat Daring weigerde op die manier ‘kampioen te spelen’, bleef de titel voor Union.

CHALLENGE INTERNATIONAL DU NORD

Bij de Franse zuiderburen was het voetbal ondertussen ook in opmars. Britse expats en landgenoten die na hun studie uit Engeland terugkeerden, namen een liefde voor de edele balsport mee naar Frankrijk. Wie een beetje bekend is met de Parijse volksaard, zal niet verrast zijn dat de lichtstad een monopolie op het spelletje opeiste. Diezelfde mensen zullen evenmin geschokt zijn door het feit dat de Parijzenaars hun eigen competitie ondanks dat omdoopte tot het landskampioenschap. Nu verenigingen in havenstad Le Havre en de industriële driehoek Lille-Roubaix-Tourcoing, waar de sport evenzeer in opmars was, nergens heen konden met hun ontluikende liefde voor het voetbal, zochten zij hun toevlucht in een internationaal alternatief, een eigen competitie genaamd Challenge International du Nord.

INTERNATIONAAL SUCCES

In de beginjaren van dit toernooi mochten alleen Noord-Franse en Belgische clubs meedoen, maar later zouden ook Nederlandse, Zwitserse en Engelse teams volgen. Tot de competitie in 1909 overging in een vernieuwde structuur louter voor Franse en Britse amateurploegen, waren de Belgische afvaardigingen veruit de bovenliggende partij. Van alle elf edities werden er niet minder dan tien gewonnen door de Belgen. Union was met drie eindzeges bovendien de beste van allemaal.

ZWAAR WEER

Na de Eerste Wereldoorlog herpakte Union zich rap en nestelde zich andermaal in de top van de Eerste Klasse. Ditmaal slaagde de club er echter niet in om veel zilverwerk in de wacht te slepen. Op één landstitel in 1923 na bleef het lange tijd bij ereplaatsen. In plaats van de pijlen te kunnen richten op een nieuwe prijs, zakte Union steeds verder weg tot de club halverwege de jaren twintig in vieze papieren kwam te zitten. Met een terugval naar de Tweede Klasse al aan de horizon kon Union ternauwernood het vege lijf behoeden voor degradatie, maar de dominantie van weleer leek almaar verder weg. Waar de club in die jaren daarvoor stapje voor stapje was teruggedrongen, keerde met het aanbreken van de jaren dertig plots de kansen. Union stond ineens weer met de neus aan het venster, terug van weggeweest.

UNION 60

Alsof de moeilijke jaren nooit hadden plaatsgevonden, eiste Union haar plek aan de top van het Belgische voetbal weer op. Er werd gesmeed aan een onverslaanbare formatie, die drie jaar lang de competitie in een ijzeren greep hield. Tussen 8 januari 1933 en 3 februari 1935 bleek de ploeg zelfs letterlijk onklopbaar. Maar liefst zestig wedstrijden hoefde Union geen enkele nederlaag te incasseren. Het leverde de club niet alleen een nieuwe bijnaam, Union 60, maar vanzelfsprekend ook drie titels op. Als er in die jaren een Beker van België georganiseerd was, zouden ze ook die waarschijnlijk minimaal één keer hebben toegeëigend. Sinds 1953 ontvangt de ploeg die dat seizoen in alle nationale afdelingen het grootst aantal matchen zonder nederlaag heeft afgewerkt de zogenaamde Pappaertbeker, vernoemd naar de toenmalige Union-aanvoerder Jules Pappaert.

ZWANENZANG

Dat de reeks uitgerekend in een wedstrijd tegen aartsrivaal Daring verbroken moest worden, zal extra pijn hebben gedaan in de Union-harten. Diezelfde club loste een jaar later Union af als landskampioen. Niemand kon op dat moment bevroeden dat beide clubs reeds bezig waren aan hun zwanenzang. Voor Union zou dat tot gevolg hebben dat de club steeds verder wegzakte op de landelijke voetbalpiramide, terwijl de ander na een reeks aan faillissementen en fusies in principe niet meer bestaat. Het huidige RWDM, Racing White Daring Molenbeek, is namelijk slechts in naam een voortzetting van de oude topclub.

FUSIE OP FUSIE

Waar Belgische verenigingen sowieso al niet vies zijn van een fusietje op zijn tijd, spant RWDM de absolute kroon. De vereniging – in de meest letterlijke betekenis van het woord – die in 1973 ontstond, is namelijk een samenvoeging van Racing White, op haar beurt weer een fusie van zesvoudig landskampioen Racing Club de Bruxelles en White Star Woluwé, en Daring Football Club, dat kort na haar oprichting Brussels FC opslokte en vervolgens door de jaren heen in chronologische volgorde fuseerde met Sporting Molenbeek, Skill FC en US Bruxelles.

BELGISCHE HOOGTIJDAGEN

Hoewel de club op papier uit een allegaartje van verschillende verenigingen bestond, vormde Daring nog altijd de basis. Zij beschikten namelijk over de trouwe achterban, het onderkomen – het voormalige Oscar Bossaertstadion, dat nu door het leven gaat als Edmond Machtensstadion – en de recentere successen en prestige. Met bouwmagnaat Jean-Baptiste L’Ecluse kwam er bovendien een ambitieuze en gefortuneerde kapitein aan het roer te staan. Onder zijn leiding trachtte de club Anderlecht en Club naar de machtige troon te steken. Het waren immers hoogtijdagen voor het Belgische voetbal. Anderlecht bereikte tussen 1976 en ‘84 maar liefst vijf keer een Europese finale, Brugge tweemaal en zelfs Lierse SK reikte in 1982 tot de Europa Cup II-finale. Alleen de Brusselaars hielden er overigens prijzen aan over, namelijk tweemaal de Europa Cup II en twee Supercups.

JAN BOSKAMP

Het was dus geen gemakkelijke tijd om je er als Belgische club tussen te wurmen. Toch slaagde RWDM daar aanvankelijk goed in. De club vierde haar eerste landskampioenschap nog voor haar tweede verjaardag, dat is een prestatie waar zelfs Union in haar tijd niet aan kon tippen. Kosten noch moeite waren dan ook gespaard. Onder anderen ‘s lands beste voetballer (tot men plots Eden Hazards, Kevin de Bruynes en Romelu Lukaku’s ging produceren) Paul Van Himst en Feyenoords Jan Boskamp togen naar de Belgische hoofdstad om de gelederen van de jonge club te versterken. Naast het nationale succes was er ook een mooi Europees avontuur voor de Molenbekers. Vijf jaar op rij kwalificeerde RWDM zich voor één van de continentale toernooien, waarin de club het zelfs tot de halve finale schopte. Daarin was Athletic Bilbao dankzij een schamel uitdoelpunt te machtig.

HET EINDE VAN EEN TIJDPERK

Het succes van RWDM was van korte duur. Nadat het bedrijf van L’Ecluse in ‘85 over de kop ging kon het de concurrentie financieel simpelweg niet bijbenen en het water stond de club al snel tot aan de lippen. Degradaties volgden en hoewel men elke keer weer meteen terugkeerde naar de Eerste Klasse werden de problemen steeds groter, tot de club in 2002 haar spelers niet meer kon uitbetalen. De club was failliet, waarmee op dat moment RWDM feitelijk ophield te bestaan. Omdat de club onder het stamnummer van White Star (47) had gespeeld, gold dat eigenlijk al enkele decennia voor Daring (2) en Racing Club (6), op wiens palmares de club volgens de letter van de wet niet mocht voortbouwen.

HERSTART

De supporters lieten het er niet bij zitten. Ondanks dat een eerder supportersinitiatief onder de naam RWDM 2003 was mislukt, deed men vijf jaar geleden nog een verwoede poging de club nieuw leven in te blazen. Men kon ditmaal het stamnummer van Standaard Wetteren overnemen en op die manier instromen in de Vierde Klasse. Sindsdien slaagde het kersverse RWDM erin drie keer te promoveren, waardoor ze nu in de Eerste Klasse B, het tweede niveau van België, mogen uitkomen.

ZWANZEN

In deze Eerste Klasse B bivakkeert toevalligerwijs ook de oude concurrent Union, voor wie sinds de komst van de Engelse investeerder Tony Bloom, eveneens eigenaar van Brighton & Hove Albion, weer betere tijden zijn aangebroken. Daarmee prijkt er voor het eerst in 35 jaar ook weer een Zwanzederby op de kalender. Met de opzet van de Eerste Klasse B, een divisie die slechts 8 clubs telt, mogen we ons dit jaar zelfs opmaken voor vier edities. Maar waar komt nu eigenlijk die naam vandaan, Zwanzederby? Vraag het een Brusselaar en hij antwoordt: “Zwanzen is zeveren, blagueren.” Gelukkig hebben wij dan nog Boskamp om voor ons te vertalen: “Wij noemen dat dollen.”

BOSSEMANS EN COPPENOLLE

Voor de oorsprong van de naam worden we meermaals doorverwezen naar een toneelstuk uit 1938: Bossemans en Coppenolle. De twee Brusselaars zijn al jarenlang boezemvrienden, maar als één van hen (weduwnaar Bossemans) een relatie krijgt en deze nieuwe vriendin een fanatiek aanhanger blijkt te zijn van Union, terwijl de vrouw van de ander supportert voor Daring, is het hommeles. Zeker als Bossemans zoon eerste doelman van Union wordt en voor de derby door mevrouw Coppenolle wordt opgesloten, zodat hij niet op tijd bij de match kan zijn. Laten we het er maar op houden, dat je het in zijn tijd moet zien. Het komische stuk waarin de typische Brusselse humor van “zieveren en zwanzen” centraal staat was destijds een grote hit, werd zelfs in de Parijse theaters opgevoerd, tekende de ludieke manier waarop de twee supportersschare elkaar tegemoet treden en fungeerde dus zogezegd als naamgever van de enige echte Brusselse stadsderby.

KOMEND WEEKEINDE

Op zaterdag 13 maart (aftrap 20u45) staat alweer de vierde en laatste editie van het seizoen op de rollen. In de laatste twee der broedertwisten trok huidig koploper Union Sint-Gillis het laken naar zich toe, nadat de eerste confrontatie met 3-1 in het voordeel van de Molenbekers van RWDM werd beslecht. Bij een overwinning van Union is die ploeg kampioen en zijn zij dus verzekerd van promotie naar Eerste Klasse A. Dat zou goed kunnen betekenen dat we het volgend jaar weer zonder Zwanzederby moeten doen.

Omdat beide supportersschare kunnen invoelen wat de ander de laatste jaren aan pittige tijden heeft doorgemaakt, is de Zwanzederby er niet een van haat, maar eerder van vriendschap. Beide clubs doen er alles aan om zich terug te knokken naar de plek waar ze ooit thuis waren, de top van het Belgische voetbal. En als het aan alle betrokkenen ligt, wordt de derby ooit weer een vaste waarde in de Eerste Klasse.