ROSENBORG BK EN DE NOORSE HOOGTIJDAGEN

11 februari 2021 - 13:48

In de voetbalgeschiedenis hebben vele teams de top weten te bereiken, maar lang niet allemaal slaagden zij erin daar te blijven. Hoe liep het af met de teams die van de rots kukelden? In deze serie gaan we op zoek naar de verhalen achter de vergane glorie en hoe het nu gaat met de clubs die ooit de trotse kampioenen waren. Gedurende de hoogtijdagen van het Noorse voetbal – halverwege de jaren 90 – was er in eigen land één club heer en meester, Rosenborg BK.

Door: Sander Grasman

HET MIRAKEL VAN SAN SIRO

San Siro, 4 december 1996: AC Milan-Rosenborg BK

Milan: Rossi; Maldini, Baresi, Costacurta, Reiziger; Albertini, Boban, Ambrosini, Savicevic; Baggio, Dugarry.

Rosenborg: Jamtfall; Stensaas, Hoftun, Hjelde, Kvarme; Soltvedt, Skammelsrud, Strand; Brattbakk, Iversen Heggem.

Op 4 december 1996 stond in Milaan de laatste wedstrijd uit de groepsfase van de Champions League op het programma. Achter een ongenaakbaar Porto bezette Milan de tweede plek in groep D en de Italianen hadden aan een gelijkspel in eigen huis genoeg om zich voor de volgende ronde te kwalificeren. Met de 1-4 in Noorwegen nog betrekkelijk vers in het geheugen, leek er geen vuiltje aan de lucht voor i Rossoneri. Arrigo Sacchi kon zelfs de uitblinkers van het heenduel, Edgar Davids, George Weah en Marco Simone, die in Trondheim zichtbaar geteisterd werd door de herfstige kou – zijn handen diep weggestoken in zijn lange mouwen -, aan de kant houden in San Siro.

BRATTBAKK

Hoe anders zou het op deze bewuste avond verlopen. Na een half uur spelen hobbelde de bal namelijk met het nodige fortuin voor de voeten van Harald Martin Brattbakk, die je destijds zo’n buitenkansje niet moest gunnen. Genadeloos schoof de sterke spits de bal langs een uitstormende Rossi. Een kwartier later bracht Christophe Dugarry de Italianen alweer op een virtuele kwalificatieplek. De bal eindigde in een scrimmage voor zijn voeten en in een dergelijke situatie was hij al even dodelijk als zijn Noorse collega, 1-1 vlak voor rust.

Milan kon de wedstrijd rustig uitspelen, maar werd daarbij mogelijk wat gemakzuchtig. Een breedtepassje van Zvonimir Boban was te zacht en kon rond de middenlijn worden onderschept door Brattbakk, die langs de zijlijn opstoomde tot halverwege de Italiaanse helft, waarvandaan hij de bal in een – op het oog – wanhopige poging voor het doel slingerde. In de mangel tussen Maldini en Baresi was Vegard Heggem met zijn hoofd echter de graaiende handen van Rossi net te snel af en de bal stuiterde achter de doelman het lege doel in. Toen scheidsrechter Georgios Bikas onder een striemend fluitconcert affloot waren de Noren er voor het eerst in geslaagd voorbij de eerste of tweede ronde van een Europees toernooi te komen.

HEER EN MEESTER IN DE TIPPELIGAEN

In 1990 ging de 1. Divisjon een samenwerking aan met de nationale loterij Norsk Tipping en kreeg het de naam Tippeligaen. De eerste editie werd al gewonnen door Rosenborg, maar een jaar later moesten zij de titel aan Viking uit Stavanger laten. Het zou echter de laatste keer in 13 jaar worden dat het kampioenschap buiten Trondheim gevierd kon worden. Meer dan een decennium hield Rosenborg de eigen kampioenschap in een wurggreep en men zou dus zelfs korte tijd uitgroeien tot een ware angstgegner in de Champions League voor de clubs uit de topcompetities worden. Naast de overwinning in San Siro op Milan, werden ook Real Madrid en Borussia Dortmund verslagen door de Trondheimers.

In de jaren zestig had de club uit de universiteitsstad al de vruchten geplukt van een gouden generatie. Waar men tot die tijd vooral op lagere niveau’s had geacteerd, werd Rosenborg BK in 1967 voor het eerst landskampioen. De belangrijkste exponenten van die kampioensploeg, Nils Arne Eggen en topscorer Odd Iversen, zouden ook een belangrijke link hebben naar de succesformatie uit de jaren 90: Eggen als coach en Iversen als vader van één van de belangrijkste pijlers onder het succes: spits Steffen Iversen.

SURPLUS AAN TOPSPITSEN

Terwijl Rosenborg al vier van de eerste vijf edities van de Tippeligaen won, gebeurde dat nog niet met de dominantie die in de jaren daarna zou volgen. Het geheim van hun oppermachtigheid lag voorin. De ploeg had altijd over een solide verdediging beschikt, maar misten die jaren nog afmakers voorin. Voor de oplossing hoefde de club niet ver te zoeken. Vanuit de jeugdopleiding stroomde Steffen Iversen, de zoon van clublegende Odd, door naar de hoofdmacht, terwijl de voormalige pupil Harald Martin Brattbakk na een succesvolle periode bij concurrent Bodø/Glimt teruggehaald werd naar zijn geboortestad. In de kleine Noorse competitie was het uitzonderlijk voor spelers om 20 of meer doelpunten te maken. In de eerste veertig jaar van haar bestaan waren slechts vijf topscorers daarin geslaagd. Tussen 1994 en ‘98 lukte dat de spitsen van Rosenborg vier keer op rij.

Vooral Brattbakk zou jarenlang van ongekende waarde zijn voor Rosenborg. Voor zijn komst rekende men op de doelpunten van Gøran Sørloth, de vader van oud-Groningen-spits Alexander, maar die was beduidend minder trefzeker dan zijn opvolger. Plots scoorde de zwartwitten niet 40, maar 70 doelpunten per seizoen, waarvan het merendeel op het conto kwam van Brattbakk. Nadat Iversen al in ‘96 vertrok naar Tottenham, werd zijn positie moeiteloos overgenomen door een andere doelpuntenmachine, Sigurd Rushfeldt. Met hem verliep de samenwerking zelfs nog beter en het was stuivertje wisselen tussen de twee teamgenoten om de topscorerstitel. Vijfvoudig topscorer Brattbakk speelde uiteindelijk drie periodes voor de club uit Trondheim (1990-’91, ‘94-’97 en 2001-’06), waarin hij 151 treffers maakte. Rushfeldt speelde misschien veel minder wedstrijden voor de club, maar liep daarin wel 1-op-1, met 67 goals in 66 wedstrijden.

NOORS NATIONAAL SUCCES

Ook de Noorse nationale ploeg beleefde in die jaren hoogtijdagen. In 1993 bezetten de Noren zelfs een tweede plaats op de FIFA Rankings. Ze hadden toen net Engeland en het Nederlands elftal achter zich gehouden in de kwalificatie voor het Wereldkampioenschap in de Verenigde Staten. Het Noorse elftal bestond voor het overgrote deel uit spelers die hun geld buiten de landsgrenzen verdienden. De sterke Scandinaviërs bleken uitermate geschikt voor het fysieke spel van de Engelse en Duitse competitie. Waar Tore André Flo, Henning Berg en Ole Gunnar Solskjaer in eigen land met Lillestrom, Brann en Molde achter Rosenborg in het stof beten, bereikten zij in Engeland de top met Manchester United en Chelsea.

CAREW

In 1997 vertrok Brattbakk naar Celtic en twee jaar later volgde Rushfeldt met een overstap naar Racing Santander. In hun zoektocht naar een nieuw aanspeelpunt kwam Rosenborg al snel uit bij de jonge John Carew. De sterke, snelle spits met een Noorse moeder en een Gambiaanse vader (voormalig doelman van de Gambiaanse nationale ploeg) had in zijn twee seizoenen in de hoofdmacht van Vålerenga een bijzonder getalenteerde indruk gemaakt. De nieuwe aanvalsleider beschikte over veel meer talent dan zijn voorgangers en leek al snel voorbestemd om als eerste Rosenborg-speler daadwerkelijk de stap naar de internationale top te zetten.

Na onder meer sterke optredens in de Kuip en thuis tegen Feyenoord, had PSV de Noor op de korrel als vervanger van de vertrokken Ruud van Nistelrooij. Uiteindelijk kozen de Eindhovenaren echter voor Mateja Kezman en streek Carew neer in Valencia. Aanvankelijk was zijn verblijf in de Spaanse sinaasappelstad een succes. Hij speelde in zijn eerste seizoen met Los Ches de finale van de Champions League, die ze na strafschoppen verloren – de spits benutte zelf wel zijn poging van elf meter. Hierna kwam er de klad in. Hij speelde slechts 15 wedstrijden (1 goal) in zijn tweede seizoen en hoewel hij dat aantal in zijn derde seizoen weer tot boven de dertig opkrikte, zou het zijn laatste seizoen in La Liga blijken.

EUROPESE OMZWERVINGEN

Zijn verhuurperiode bij AS Roma liep uit op een teleurstelling, maar in de kleuren van Besiktas liet Carew zien nog niet uitgerangeerd te zijn, waarna hij zich in Lyon kon aansluiten bij een volgende dynastie. In de Franse culinaire hoofdstad behaalde hij nog twee titels, waarmee zijn totaal op vier kampioenschappen kwam, maar hierbij zou het ook blijven. Ondanks dat hij in Birmingham bij Aston Villa een clubicoon werd, zou hij daar nooit om de eerste plaats strijden. Inmiddels is de sterke Noor alweer enige tijd met voetbalpensioen en werkt hij aan een carrière als acteur. In de serie Heimebane (Home Ground) liet hij als verlopen vedette al zien over een brede range te beschikken.

Na het vertrek van Carew ging het met Rosenborg ook steeds iets minder. De tijd dat Europese grootmachten verslagen werden lagen in een ver verleden, maar in de eigen competitie was men nog enige tijd heer en meester. Toen in 2004 het kampioenschap niet eens op doelsaldo, maar op gescoorde goals beslist werd, luidde dat het einde van de Rosenborgse hegemonie in. Een jaar later eindigde de club zelfs al met een zevende plek in de middenmoot. Ondanks dat de club sindsdien alweer zeven titels in de wacht sleepte, heeft het tegenwoordig in Molde en Bodø/Glimt twee geduchte concurrenten, iets wat ze in hun hoogtijdagen niet kende. Deze twee clubs eisten de afgelopen twee jaar ieder een titel op, terwijl Rosenborg genoegen moest nemen met een derde en vierde plek.

NOORSE TALENTEN

Rosenborg had haar succes te danken aan jonge, Noorse spelers, maar tegenwoordig vertrekken die toptalenten al op jeugdige leeftijd naar het buitenland. Waar spelers als Brattbakk, Rushfeldt, Iversen, maar ook Kjetil Rekdal, Erik Mykland, Stale Solbakken, Flo (Tore André en alle andere Flo’s), Solskjaer en Berg al lang en breed gevestigde namen waren in eigen land, worden de meest getalenteerde spelers nu al als tieners gescout. Zeven jaar geleden won de Noorse onder-21 nog brons op  het EK, maar van die selectie waren de belangrijkste krachten al voor hun 18e verjaardag naar Engeland gehaald. Håvard Nordtveit (Arsenal), Omar Elabdellaoui (Manchester City), Joshua King en Mats Møller Dæhli (beiden Manchester United) bereikten geen van allen de absolute top en lijken de nationale ploeg niet naar een hoger plan te tillen. 

Wat dat betreft lijken er nu betere tijden aan te breken voor het Noorse voetbal. Hoewel ook deze jongens voor hun 20e de overstap naar een grotere competitie (of club) hebben gemaakt, hadden zij wel allemaal minimaal één seizoen in de Noorse competitie uitgeblonken, voordat ze een stap hogerop zetten. Erling Haaland, Martin Ødegaard, Sander Berge en Kristoffer Ajer zijn allemaal nog geen 23 jaar oud, maar inmiddels al wel vaste waarde in de nationale ploeg. Zij waren op jonge leeftijd al niet meer haalbaar voor een club als Rosenborg en verlieten dus de Eliteserien, zoals de Tippeligaen tegenwoordig heet.

Ondanks dat het Noorse voetbal dus in de lift zit, lijken de dagen dat een club als Rosenborg de Europese top een lastig avondje kon bezorgen ver achter ons. Het aantrekken en ontwikkelen van talent van eigen bodem is in het moderne voetbal onmogelijk voor Noorse verenigingen. De overwinningen op Real Madrid, Borussia Dortmund en in San Siro op het Milan van Sacchi zullen dus nog lang gekoesterd worden in Trondheim en omstreken.

Kun je geen genoeg krijgen van Buitenlands voetbal, luister dan onze FC Buitenland Podcast! Onze eigen Jaron Blonk, ESPN-commentator Martijn van Zijtveld en Quincy Richardson bespreken in een uur tijd alles wat je moet weten over de vier grootste competities van Europa.