Basis van Feyenoords Europese succes was innovativiteit

18 december 2020 - 16:47

Door: Sander Grasman

In de voetbalgeschiedenis hebben vele teams de top weten te bereiken, maar lang niet allemaal slaagden zij erin daar te blijven. Hoe liep het af met de teams die van de rots kukelden? In deze serie gaan we op zoek naar de verhalen achter de vergane glorie en hoe het nu gaat met de clubs die ooit de trotse kampioenen waren. Deze week duiken we in het succes van Feyenoord onder de innovatieve Ernst Happel en hoe het sindsdien in een eigenhandige wurggreep zichzelf de nek dreigt om te draaien.

2020

Met kerst voor de deur komt het einde van 2020 in zicht. Voor de Rotterdammers was het – niet alleen vanwege de voor de hand liggende corona-redenen – een raar jaar. Het was precies 50 jaar geleden dat men als eerste Nederlandse club de Europa Cup I won. Bovendien bleef de ploeg het hele kalenderjaar in de eigen competitie ongeslagen, maar inmiddels is die reeks eerder een vloek dan een zegen geworden. Het spel is al weken niet om aan te zien, in de Eredivisie werden onnodig veel punten verloren en Europees strandde men in een achteraf toch niet onmogelijke groepsfase.

Toch zag het er iets meer dan een jaar geleden nog veel treuriger uit. Jaap Stam stapte op, nadat Feyenoord tegen een volledig verwachte zeperd in de Arena was aangelopen. Het tactische arsenaal van de voormalig topverdediger bleek even leeg als diens bureau. Dick Advocaat nam de pittige uitdaging aan om een verdere val van de Rotterdammers tegen te gaan en bouwde een team dat naar zijn kwaliteiten speelde. Vorig seizoen pakte dat wonderwel goed uit en de club sprong onder het bewind van de Kleine Generaal zelfs naar de derde plek op de ranglijst. Dit jaar loopt het dus allemaal een stuk minder in de Kuip.

ARNE SLOT

Met de komst van Arne Slot gloort er hoop aan de horizon. In Alkmaar heeft de trainer bewezen met beperkte financiële middelen tot goede resultaten te kunnen komen, waarbij AZ onder zijn leiding eindelijk ook de duels tegen de topploegen wist te winnen. Bovendien deed hij dat met modern, verzorgd, aanvallend voetbal en oog voor zelf opgeleid talent. Frank Arnesen rekent erop dat hij dit kunstje in Rotterdam-Zuid weet te herhalen en ook in andere geledingen binnen de club lijkt er sinds de komst van de Deen een progressievere wind te waaien. 

In de jeugdopleiding mochten afgelopen zomer de grootste talenten één of soms zelfs meerdere leeftijdscategorieën overslaan, zodat zij al op jongere leeftijd geconfronteerd worden met sterkere tegenstand. Of het een direct gevolg is van deze ontwikkeling, valt niet met volledige zekerheid te zeggen, maar veel gekoesterde groeibriljanten tekenden intussen een jeugdcontract bij de club en liggen voor de komende jaren vast in de Kuip. Enkele daarvan zullen misschien al hopen op een debuut onder de volgend jaar aantredende oefenmeester of mogelijkerwijs een treetje lager in de voetbalpiramide met Jong Feyenoord.

HET ZAGEN IS AL BEGONNEN

Met verandering komt er, zeker bij Feyenoord, ook meteen een tegenreactie op gang. Het zagen aan de stoelpoten van Slot is reeds begonnen, ruim een half jaar voordat de beste man überhaupt één training geleid heeft. Feyenoord-watcher Martijn Krabbendam sprak bij Voetbalpraat op Fox Sports dreigende taal: ‘Hij moet niet de uitvinder gaan uithangen. […] Gewoon normaal doen, hard werken.’ En daarmee zijn we beland bij datgene wat al sinds jaar en dag een pijnpunt is van de club, de inmiddels mythisch geworden toverformule in Rotterdam-Zuid: hard werken en normaal doen.

Waar Krabbendam dus voor Slot al dreigende woorden had, kon hij bij het uitspreken van de naam van jeugdtrainer Melvin Boel nauwelijks zijn weerzin verbergen. Dat Boel, of zoals Krabbendam hem tweemaal omschreef: “een oud-amateurtrainer van BVCB”, wel mag aanschuiven bij het technisch overleg en iemand als Robin van Persie (van wie overigens niet helemaal duidelijk is of hij dat wel wil) niet, kan duidelijk niet op zijn goedkeuring rekenen. Hoe Boel de afgelopen jaren in de Feyenoord Academy heeft gerendeerd komt niet ter sprake en is overduidelijk van ondergeschikt belang aan het gebrek aan voetbalprestaties in het verleden. Begin ook zeker niet over data of 3D-brillen, want dan kan de VI-verslaggever zomaar uit elkaar spatten.

NIET LULLEN, MAAR POETSEN

Krabbendam staat zeker niet alleen in zijn conservatieve denkbeelden. Sterker nog, de club bevindt zich al decennialang in deze zelf aangebrachte wurggreep. Sinds de jaren ‘70 is de club nog maar vier keer landskampioen geworden. Dat is een aantal dat de “concurrenten” Ajax en PSV per decennium behalen. Toch klinkt er in de havenstad vooral cynisme als men eens dreigt te vernieuwen of van koers te veranderen. Feyenoord is al heel lang slechts in externe factoren als stadion, legioen en historie een topclub, maar op voetballend gebied loopt de club mijlenver achter op de top 2.

In plaats van visie valt men in Rotterdam-Zuid graag terug op dat aloude adagium: strijd. De spelers moeten harder werken, het prachtige shirt op hun rug verdienen en leven naar het motto van de club: Geen woorden, maar daden. Anders gezegd: ‘Kein geloel, fussball spielen,’ zoals Ernst Happel het zei. Maar hoewel het de bekendste quote is van de legendarische Oostenrijker, was hij bij uitstek een vernieuwer en een trainer met visie en geweldig tactisch inzicht, met Europees succes tot gevolg.

ERNST HAPPEL

Het seizoen voordat Happel de overstap van ADO Den Haag naar Feyenoord maakte, hadden de Rotterdammers de dubbel gepakt. Terwijl het Ajax van Michels en Cruijff in Europa van zich deed spreken en als eerste Nederlandse club de finale van de Europa Cup I bereikte, waren het dus de Rotterdammers die in eigen land met alle prijzen aan de haal gingen. Je zou zeggen dat Happel in een gespreid bedje terecht kwam, maar hij besloot de kussens toch nog eens een beetje op te schudden. De belangrijkste transfer die zomer was die van Happels landgenoot Franz Hasil, een intelligente middenvelder.

Happel positioneerde zijn landgenoot naast Wim Jansen en Willem van Hanegem, die hij daarvoor een linie terug haalde, waar hij als aanvallende middenvelder tussen de linies ging spelen. Met een driemansmiddenveld week Feyenoord af van het op dat moment gangbare 3-2-5-systeem en het leverde resultaten op. De legende wil zelfs, dat Michels dit van zijn concurrent in Rotterdam heeft afgekeken tijdens een onderling duel in april 1970. Het middenveld van de Hoofdstedelingen moest versterkt worden, bleek die middag, en zo viel het laatste puzzelstukje van het Totaalvoetbal op zijn plek.

INNOVATIEF

Happel bagatelliseerde graag zijn invloed op het spel. Naar eigen zeggen bestond zijn tactiek uit drie componenten: ‘Rinoes, Willum en Coentje’. En verder dus ‘kein geloel, fussball spielen’. De trainer was zeker geen prater – hij beheerste eigenlijk alleen het Duits en een soort steenkolen Nederlands -, maar was ondanks zijn eigen (weinige) woorden wel degelijk een innovator en visionair, een man van ideeën. Al was het bij hem meer op een zekere boerenslimheid gebaseerd, dan op het bestuderen van theorie. 

Gedurende een trip door Brazilië met Rapid Wien, waar de Oostenrijkers op een stevige pandoering werden getrakteerd door Vasco da Gama en haar briljante trainer Flávio Costa, ontwikkelde hij als 22-jarige voetballer de buitenspelval als wapen en groeide hij als libero uit tot een van de eerste centrale verdedigers die van achteruit het spel opbouwde. Die slimmigheden waren het resultaat van spelsituaties waarin hij gedurende wedstrijden terecht was gekomen.

ANTICIPEREN

Het was Happels kracht dat hij wedstrijden beter las dan zijn tegenstanders. Dat was althans wat Theo van Duivenbode, oud-Ajacied en linksback van Feyenoord in 1970, en Jock Stein, legendarische coach van Celtic en de tegenstander in de finale van de Europa Cup I-finale, later zouden aangeven. Volgens Van Duivenbode lag de kracht van Michels, onder wie hij bij Ajax speelde, meer in de voorbereiding op de wedstrijd, terwijl de Oostenrijker wist te anticiperen op datgene wat hij zag gedurende een wedstrijd. Stein zei na de verloren finale, dat het niet Celtic was dat had verloren van Feyenoord, maar dat hij het had afgelegd tegen Happel.

Waar de finale een schaakspel werd tussen twee van de beste managers van dat tijdperk, leverde het tweeluik met Milan in een eerdere ronde beduidend meer kijkplezier op. Met ongekende intensiteit maakten de Rotterdammers de Italianen het voetbal onmogelijk, om vervolgens zelf in de omschakeling gevaarlijk toe te slaan. Ook in deze wedstrijden maakte het driemansmiddenveld weer enorme indruk. Dat Feyenoord de regerend Europa Cup I-winnaar kon uitschakelen – nota bene de club die dus in die finale Ajax met 4-1 verslagen had -, en bovendien op een dusdanig imponerende wijze, gaf de ploeg het vertrouwen dat het dat jaar weleens voor de eindwinst kon gaan.

IJZEREN RINUS & THEO DE TANK

Zeker, ook in deze succesperiode kende de Rotterdamse ploeg een harde werkers-mentaliteit. Zelfs van de grote ster Coen Moulijn werd veel verdedigende arbeid verwacht (het team zette immers hoog druk), maar het spijkerharde centrale duo Rinus Israël en Theo Laseroms zou uitgroeien tot een iconisch, ongenadig hard koppel. Legendarisch is de anekdote over IJzeren Rinus die Moulijn bijna over de boarding schopte voor het treffen met Celtic, omdat deze hem – ondanks herhaaldelijke waarschuwingen – op training bleef poorten. Dat IJzeren Rinus (en Theo de Tank) van wanten wisten, valt dus niet te ontkennen, maar daarmee zou je de voetballer Israël danig tekort doen.

De Amsterdammer was in de verdediging het verlengstuk van de trainer. Hij vervulde daar als libero de rol die Happel ooit zelf als speler van Rapid en het Oostenrijkse team had vervuld. De verdediger stelde Jansen, Van Hanegem en Hasil voor hem in staat het spel te maken en het tempo van hun wedstrijden te bepalen. Dat de wedstrijden tegen Milan een andere aanpak vereisten dan het treffen met Celtic, was wel toevertrouwd aan het spelinzicht van de verdedigingsleider, de drie middenvelders en hun coach.

ERNST HAPPELSTADION

Dankzij een late treffer van de Zweedse spits Ove Kindvall slaagde Feyenoord waar Ajax een jaar eerder voor de finish gesneuveld was. De Schotse winnaar van ‘67 werd in San Siro met 2-1 verslagen en Nederland had zijn eerste Europa Cup I-winnaar. Het was een zege van een geweldige groep spelers, maar even zo goed van een briljante, innovatieve coach. Happel zou na zijn vertrek uit Rotterdam nog successen kennen in België bij Club Brugge en met HSV in Duitsland. Met die club slaagde hij er als eerste coach in om met twee verschillende clubs de Europa Cup I te winnen. Sinds diens dood in 1992 draagt het nationale stadion van Oostenrijk de naam van de succesvolle coach. (Ironisch genoeg heette het stadion voordat het naar de zwijgzame Happel werd vernoemd het Praterstadion, naar het park waarin het staat.)

TOEKOMST FEYENOORD

Sinds het vertrek van Happel in 1973 kende Feyenoord nog incidenteel succes (met vier titels en twee Europese bekers in 47 jaar), maar is er een duidelijk neerwaartse spiraal ingezet. Hoewel Happel, als gewezen topspeler en man van de praktijk, waarschijnlijk wel de goedkeuring van Krabbendam – en de conservatieve krachten die aan zijn touwtjes trekken – zou kunnen wegdragen, is men sindsdien wel ver afgedwaald van diens eigenzinnige en innovatieve kijk op het spel. 

Vernieuwing wordt in de Kuip doorgaans verwelkomd met argwaan en cynisme en progressieve ideeën worden al snel afgeschoten als het na een paar wedstrijden nog geen resultaat heeft opgeleverd. Eerst maar hard werken en normaal doen. Wil de club echter in meer dan alleen in stadion, legioen en historie een topclub zijn, dan zal men iets moeten veranderen. Daarvoor is dan wel geduld en tijd nodig, maar of dat Slot gegund wordt, is allerminst zeker en zal waarschijnlijk bepalen of de club van Zuid op korte termijn successen kan boeken of afglijdt naar de grijze middenmoot.