TBT – Torino FC, een tragedie in zes aktes

03 december 2020 - 13:16

Door: Sander Grasman

In de voetbalgeschiedenis hebben vele teams de top weten te bereiken, maar lang niet allemaal slaagden zij erin daar te blijven. Hoe liep het af met de teams die van de rots kukelden? In deze serie verhalen achter de vergane glorie en hoe het nu gaat met de clubs die ooit de trotse kampioenen waren. Vandaag bestaat Torino FC precies 114 jaar. In die tijd groeiden I Granata uit tot de meest tragische club in het mondiale voetbal. 

1e AKTE: ALFRED DICK EN DE AFSPLITSING

VOETBALHOOFDSTAD TURIJN

Het voetbal doet in Italië zijn intrede dankzij Zwitserse en Britse industriëlen. Een belangrijke rol is daarin weggelegd voor Edoardo Bosio. Bosio, geboren in Turijn, maar met Zwitserse voorouders, ontdekt de sport in Nottingham, wanneer hij daar werkzaam is in de textielindustrie. Bij terugkomst in zijn geboortestad richt hij Torino Football and Cricket Club, kortweg Torino FCC, op. Mede dankzij Bosio’s inspanningen groeit Turijn aan het eind van de negentiende eeuw uit tot de voetbalhoofdstad van Italië. Aan het eerste Italiaanse kampioenschap in 1898 doen slechts vier ploegen mee. Drie daarvan komen uit de Noord-Italiaanse stad. Winnaar is echter de enige deelnemer van buiten de stad, namelijk Genoa.

Een jaar voor dat eerste landskampioenschap is er nog een voetbalvereniging in Turijn opgericht. Scholieren van het Liceo Classico Massimo d’Azeglio beginnen in 1897 hun eigen club. Zij geven hun vereniging de toepasselijke naam Juventus, Latijn voor jeugd. Nadat Juventus in 1905 voor het eerst landskampioen wordt, gaan er binnen de vereniging stemmen op om de spelers te gaan betalen en zelfs om Turijn te verlaten. Lang niet iedereen is het met deze beslissingen eens en zij zoeken toenadering tot concurrent FC Torinese.

AFSPLITSING VAN JUVENTUS

Op 3 december 1906 komt een bont gezelschap van drieëntwintig mannen bijeen in birreria Voigt aan de Via Pietro Micca te Turijn. De insteek van de bijeenkomst is het vormen van een nieuwe voetbalvereniging in Turijn. De groep bestaat uit leden van FC Torinese en enkele Juventus-dissidenten. Die laatste worden aangevoerd door twee Zwitserse vrienden. Deze fijnbesnorde heren zijn niet de minste. Alfred Dick, met een keizerlijke snor, stond aan de wieg van Juventus en fungeerde zelfs enige tijd als voorzitter van die latere rivaal, terwijl zijn kompaan Hans Schoenbrod, die met zijn gesoigneerde krulsnor en karakteristieke bolhoed eerder doet denken aan Agatha Christies Hercule Poirot, voorzitter van de op te richten vereniging moet worden.

Dick, een succesvol ondernemer in de leer- en schoenenindustrie, was niet alleen de voormalig voorzitter van Juventus, het huurcontract met de vereniging haar thuishaven, het Velodrome Umberto I, staat ook nog altijd op naam van de zakenman. Het staat hem vrij deze over te dragen aan de nieuwe vereniging. Veel plezier zal Alfred Dick niet meer beleven van zijn nieuwe club. Wanneer hij binnen zijn schoenenimperium bij een bestelling in de fout gaat, kost dat zijn bedrijf een waar fortuin. Verteerd door schuldgevoel sluit hij zich op in zijn kantoor in het Velodrome Umberto I, zet een revolver tegen zijn slaap en haalt de trekker over. De drijvende kracht achter de oprichting van Torino sterft al op 44-jarige leeftijd. Het zal een tragische voorbode zijn voor wat komen gaat.

ENTR’ACTE: VITTORIO POZZO

Een paar jaar na de oprichting keerde Turijner Vittorio Pozzo terug naar zijn geboortestad. De anglofiel had daarvoor in Engeland gestudeerd, waar hij behalve zijn kennis van de taal ook de liefde voor het voetbal verder kon ontwikkelen. Op 11-jarige leeftijd had hij de eerste officiële voetbalwedstrijd op Italiaanse bodem bijgewoond, waarin Genoa het opnam tegen een selectie van Turijn. Aansluitend op zijn studie in Londen was Pozzo een jaar als voetballer actief in Zwitserland voor Grasshoppers. Na zijn terugkeer sloot hij zich aan bij Torino FC, de club waarvoor hij in totaal vijf jaar zou uitkomen.

TECHNISCH DIRECTEUR EN BONDSCOACH

Na zijn spelersloopbaan ging hij aan de slag als technisch directeur, een functie die hij combineerde met zijn werkzaamheden bij bandenfabrikant Pirelli. In aanloop naar de Olympische Spelen van 1912 werd Pozzo aangesteld als één van de coaches die als comité de nationale ploeg zouden aansturen. Een nederlaag tegen Finland in de eerste ronde betekende echter al het einde van zijn eerste dienstverband bij de nationale bond. Met Toro had de coach direct beduidend meer succes. In 1914 beleefde de club een bijzonder geslaagde tour door Zuid-Amerika, waar alle zes de wedstrijden werden gewonnen – waaronder van de Argentijnse nationale ploeg. Het positieve gevoel sloeg na thuiskomst snel om. Datzelfde jaar nog brak in Europa de Eerste Wereldoorlog uit en de ambities voor een eerste prijs voor de club konden vooralsnog de ijskast in.

IL METODO

Pozzo keerde na de oorlog nog enkele jaren terug bij la Granata, maar verbond zich in de jaren ‘20 exclusief aan de nationale bond. Het is ook in deze jaren dat Pozzo samen met zijn vriend (en architect achter het Oostenrijkse Wunderteam) Hugo Meisl een nieuwe speelstijl ontwikkelt: de Metodo-tactiek. Zij stappen daarmee af van de klassieke Cambridge-piramide (2-3-5-opstelling) en kiezen voor een 2-3-2-3-opstelling. Het brengt beide trainers groot succes. Pozzo wint met de Azzurri zelfs tweemaal het WK (‘34 en ‘38, nog altijd een unieke prestatie voor een bondscoach) en eenmaal Olympisch goud (1936). De successen van Pozzo en zijn nationale ploeg zijn echter niet los te zien van het fascistische regime van Benito Mussolini. Het is een associatie die de trainer tot op de dag van vandaag achtervolgt en zijn reputatie voor eeuwig zal schaden. Wat dat betreft deed il Vecchio Maestro, de oude meester, zijn eigen zaak ook zeker geen goed door tijdens een wedstrijd op het WK ‘38 in te grijpen als zijn spelers na een hels fluitconcert hun Romeinse groet afbreken. Pozzo stormt het veld op en spoort zijn mannen aan hun rechterarm weer de lucht in te steken.

2e AKTE: CALCIOPOLI ‘27: IL CASO ALLEMANDI

Na de Eerste Wereldoorlog moet Torino bijna weer van voor af aan beginnen. Hierbij ontvangen ze financiële steun van Graaf Enrico Marone Cinzano. De Bourgondiërs onder ons zullen die naam herkennen van het product waar hij rijk mee is geworden: Italiaanse aperitieven en vermouth. Behalve in voetbaltechnische versterkingen voorziet hij ook in de bouw van Stadio Filadelfia, het nieuwe stadion dat zal uitgroeien tot een onneembare vesting.

IL TRIO DELLE MERAVIGLIE

De nieuwe aankopen zijn typerend voor deze periode in het Italiaanse voetbal. Veel kinderen van Italiaanse immigranten keren terug om te komen voetballen in het land van hun (groot-)ouders. Deze spelers uit Uruguay en met name Argentinië worden ‘oriundi’ genoemd. Twee van de spelers die in de jaren ‘20 de clubs wondertrio, il Trio delle Meraviglie, zullen vormen brengen een groot deel van hun jeugd door in Argentinië. Met Julio Libonatti (geboren in Argentinië), Adolfo Baloncieri (opgegroeid in Argentinië) en Gino Rossetti als belangrijkste schakels zet de club stappen richting de top van de nationale competitie. Het trio is verantwoordelijk voor een historisch aantal doelpunten. De 36 goals in één seizoen van Rossetti worden pas in 2016 geëvenaard door Gonzalo Higuain, maar zijn nog altijd niet verbroken.

KAMPIOEN OF TOCH NIET?

In dat eerste jaar in het nieuwe stadion lijkt Torino al meteen het kampioenschap binnen te halen, als op 10 juli 1927 Bologna, de nummer twee in het klassement, met 5-0 verslagen wordt. Maanden later zal de titel echter nietig verklaard worden. In aanloop naar de derby eerder dat seizoen zouden spelers van Juventus omgekocht zijn. Toevallig vangt een journalist in een aangrenzende hotelkamer een ruzie op tussen Juve-back Luigi Allemandi en een afgevaardigde van Torino, wanneer eerstgenoemde zijn beloning niet uitbetaald krijgt. Het verhaal wordt gepubliceerd in het Milanese tijdschrift Lo Sport en de titel van Torino wordt geannuleerd. De onderzoeker van de nationale bond, die opvallend gelieerd is aan Bologna, durft het uiteindelijk niet aan om zijn eigen club de titel toe te kennen en dus zal het seizoen 1926-’27 de boeken ingaan zonder kampioen.

BALON BOYS

Daarmee raakt Torino dus de eerste titel uit haar bestaan kwijt. Het schandaal overschaduwt bovendien het kampioenschap dat een paar maanden daarna alsnog geboekt wordt. De hoogtijdagen van het Wondertrio liggen echter achter hen en als Cinzano een paar jaar later vertrekt als geldschieter breken er onzekere tijden aan. Op de ranglijst zakt men steeds verder weg, maar er gloort hoop aan de horizon. In 1932 start de club namelijk een eigen jeugdopleiding. De jeugdspelers die hieruit voortkomen krijgen de naam Balon Boys, vernoemd naar de beste speler die de club tot dan toe gekend heeft: Adolfo Baloncieri.

3e AKTE: ERBSTEIN & IL GRANDE TORINO

Gedurende het interbellum komen de grote voetbalfilosofen uit wat vroeger de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie was. In Oostenrijk is het Meisl met zijn Wunderteam, en ook in Hongarije wordt er aan een voorloper van de Magische Magyaren gewerkt. De trainers uit deze landen zijn de Duitse laptoptrainers avant-la-lettre. De nieuwe voorzitter Ferruccio Novo hoopt hier ook van mee te profiteren met het aantrekken van de Hongaarse Ernö (Egri) Erbstein. Andermaal gooit een Wereldoorlog roet in het eten, wanneer diens verblijf in het Filadelfia moet worden afgebroken. Erbstein is Joods en mag onder het bewind van Mussolini zijn functie niet uitvoeren.

CONCENTRATIEKAMP

De coach ontvlucht Italië en hoopt een veilig onderdak in Nederland te vinden. Daar kan hij namelijk aan de slag als trainer van Xerxes. Die veiligheid blijkt echter een illusie en Erbstein wordt aan de grens gestopt en moet op de vlucht. De Hongaar slaagt er niet in om uit de handen van de nazi’s te blijven. Hij belandt, samen met de latere succescoach van Benfica, Bela Guttmann, in een concentratiekamp. Gelukkig overleven beiden de gruwelen van het kamp en zullen later nog voetbalsuccessen boeken. De carrière van Guttmann zal alleen een stuk langer zijn dan die van zijn landgenoot. Wanneer Erbstein na de Tweede Wereldoorlog terugkeert, treft hij een heel ander team aan. Gedurende zijn afwezigheid zijn er een aantal versterkingen binnengehaald. De belangrijkste daarvan is Valentino Mazzola. De middenvelder lost Baloncieri af als beste speler van de club als hij samen met zijn vriend Ezio Loik in 1942 overkomt van Venezia. Mazzola is de onbetwiste leider van il Grande Torino. Spreekwoordelijk in de stad wordt zijn oprollen van de mouwen. Zodra il Capitano dat doet, weet men dat er een vermakelijk kwartiertje is aangebroken.

DOMINANTIE IN DE SERIE A

Illustratief voor de leidende rol van Torino in de eigen competitie is de opstelling van het Italiaanse elftal in die tijd. Tijdens een wedstrijd tegen een Hongaars elftal met een jonge Ferenc Puskas bestaat de basisopstelling zelfs volledig uit veldspelers van Toro. Wat keeper Valerio Bacigalupo mispeutert had om gepasseerd te worden, is niet duidelijk. Het voor eenmaal blauwgekleurde Torino verslaat de Hongaarse ploeg, nadat eerder die interlandronde negen spelers van Torino ook al met 5-2 van Zwitserland hadden gewonnen.

Nadat in 1943 de tweede titel uit de historie behaald werd, zouden de seizoenen daarna de kampioenschappen elkaar opvolgen. In ‘49 kon na een gelijkspel tegen Inter de titel ze ook niet meer ontgaan. Als beloning mocht het team naar Lissabon afreizen om de afscheidswedstrijd van Francisco Ferreira, een vriend van aanvoerder Mazzola, te spelen. Il Grande Torino zal nooit terugkeren. Het was  op de terugtocht een mistige avond en piloot Luigi Meroni (onthoud die naam) verliest de controle. In de heuvels nabij Turijn botst het vliegtuig van de ploeg op de basiliek van Superga, waarbij alle passagiers aan boord het leven laten. Enkele weken later behaald een jeugdploeg alsnog de scudetto, maar in één klap is er een einde gekomen aan de gloriedagen van i Granata.

4e AKTE: GIGI MERONI, LA FARFALLA GRANATA

De club zou nooit meer volledig herstellen na de Supergaramp. Wel braken er nog enkele hoopgevende periodes aan, al zouden ook die altijd in tragedie eindigen. De eerste van dergelijke periodes viel samen met de aanwezigheid van de onnavolgbare Luigi Meroni – geen familie van de piloot op die noodlottige vlucht. De buitenspeler was al even ongrijpbaar buiten het veld als dat hij erop was. Waar zijn gedrag – hij had onder andere een relatie met een getrouwde vrouw – niet de goedkeuring van alle conservatieve, katholieke Italianen kon wegdragen, wist hij met zijn spel in ieder geval wel de harten van de voetbalfijnproevers te stelen.

La Farfalla Granata, de donkerrode vlinder – zoals de bijnaam van Meroni luidde -, was geen doorsnee voetballer. Hij droeg zijn haar lang in een tijd dat dat in Italië nog zeer ongebruikelijk was, was een liefhebber van jazz en schilderde. Meroni hield van de aandacht die zijn opvallende verschijning in het voetbalwereldje hem opleverde. Samen met zijn teamgenoot en goede vriend Fabrizio Poletti besloot hij eens uit wandelen te gaan met een kip aan een lijntje. De opgetrommelde pers smulde ervan.

PAK DOO-IK

Diezelfde creativiteit bracht hij ook op het veld. Meroni speelde intuïtief. Tactische opdrachten waren niet aan hem besteed. Coaches namen hem dat niet altijd in dank af. Hij botste er onder anderen door met Edmondo Fabbri, eerst toen deze in dienst was als coach van de Italiaanse jeugdploeg en later ook gedurende diens dienstverband als bondscoach. Fabbri stelde Meroni in de eerste wedstrijd van het WK ‘66 in Engeland nog wel op, maar hield hem aan de kant in de wedstrijd tegen Zuid-Korea. Nadat Meroni’s vervanger geblesseerd uitviel (in die tijd mocht er nog niet gewisseld worden), deed een doelpunt van Pak Doo-Ik de Azzurri de das om. Het is tot op de dag van vandaag een van de grootste trauma’s uit het Italiaanse voetbal en de schuld van deze ontluistering werd bij Fabbri en Meroni gelegd.

Bij de fans van Toro bleef hij echter onverminderd populair. Toen Juventus verwoede pogingen deed om de frivole buitenspeler over te nemen van hun stadgenoot, leek Torino-voorzitter Orfeo Pianelli overstag te gaan voor het in die tijd duizelingwekkende bedrag van 750 miljoen lire. Dat was buiten de Torino-supporters gerekend. Zij kwamen in actie en de FIAT-medewerkers onder hen dreigden het werk neer te leggen als Meroni verkocht zou worden. Dat zou de transfer een nog veel duurdere grap maken voor Juventus- en FIAT-eigenaar Agnelli en hij trok zijn aanbod in. De Vlinder ging nergens naartoe.

ANDERMAAL RAMPSPOED

Na zijn afgeketste transfer was zijn reputatie als populairste Toro-speler sinds Il Grande Torino definitief gevestigd. Dat hun beste speler uit de klauwen van de gehate buurman was gehouden, gaf de supporters moed. Misschien zouden er eindelijk weer successen volgen. Op het veld betaalde Meroni het vertrouwen van zijn fans terug. Vooral zijn prachtige doelpunt tegen het sterke Inter uit die tijd wordt zelfs nu nog vaak gedeeld. Op 15 oktober 1967 besloten Meroni en Poletti na een overwinning op Sampdoria de zege te vieren in Bar Zambon aan de drukke Corso Re Umberto. Als ze de slecht verlichte weg willen oversteken zien zij halverwege plots een auto van rechts aankomen. Geschrokken doen beide spelers een stap achteruit, waarna zij door een wagen uit de andere richting worden geschept. Poletti raakt zwaargewond, Meroni overleeft het ongeval niet. Achter het stuur van een van de auto’s die Meroni aanrijden, zit de 19-jarige Torino-fan Attilio Romero. Als Torino in 2005 failliet gaat is deze Romero de voorzitter van de club.

5e CAPITANO FERRINI EN DE GEMELLI DEL GOL

Hoewel de dood van Meroni – zeker met de herinnering aan de Superga-ramp nog vers in he geheugen – als een mokerslag aankomt, levert het eerstvolgende duel tegen Juventus, de Derby della Mole, een klinkende 4-0 overwinning op, met een hattrick van Meroni’s vriend Nestor Combin, en datzelfde seizoen wordt ook de Coppa Italia gewonnen. Een van de belangrijkste bouwstenen voor het post-Meroni-tijdperk is de hardwerkende middenvelder Giorgio Ferrini.

DE SLAG OM SANTIAGO

Ferrini werd in 1962 al wereldnieuws met zijn rode kaart tijdens de Slag om Santiago. Al bij voorbaat staat vast dat de wedstrijd tussen Italië en Chili in de groepsfase van het WK in het Zuid-Amerikaanse land een pittige aangelegenheid zal worden. Italiaanse journalisten hebben zich kritisch uitgelaten over de situatie in Chili en haar hoofdstad. Dat wordt hen niet in dank afgenomen door de Chilenen en zij azen op wraak. Dat die wraak niet alleen sportief, maar ook een fysieke vorm zal aannemen wordt snel duidelijk. Over en weer vliegen de trappen om de oren. De wedstrijd doet meer denken aan een compilatievideo van de meest smerige overtredingen uit de voetbalhistorie. 

De Torino-middenvelder mag al na 10 minuten inrukken, als hij revanche neemt op een tik van een Chileen. Het is een uiting van frustratie over de willekeur van de scheidsrechter, die wel de Italiaanse overtredingen bestraft, maar niet optreedt tegen de wandaden van de thuisploeg. Schoppen, slagen, ellebogen, de Chilenen lijken een vrijbrief te hebben gekregen, terwijl naast Ferrini nog een Italiaan vroeg mag gaan douchen. Op beide rode kaarten valt overigens weinig aan te merken. Mario David, de andere Italiaan met een rode prent, komt op ooghoogte invliegen. Zijn karatetrap volgde echter op een vuistslag van zijn directe tegenstander die onbestraft bleef.

I GEMELLI DEL GOL

Ferrini komt in zijn carrière tot een recordaantal optredens voor Torino. Zestien jaar komt hij uit voor de club, waarvan een groot deel als aanvoerder. Direct na zijn pensioen gaat hij als assistent van coach Luigi Radice aan de slag. De club beschikt in die jaren over een bijzonder doeltreffend aanvalsduo: Paolo Pulici en Francesco Graziani, oftewel I Gemelli del Gol. Het is de creatieve middenvelder Claudio Sala en diens geweldige passing die het tweetal in staat stelt om de ene na de andere goal te produceren. In het seizoen 1975-’76 worden de twee eerste (Pulici) en derde (Graziani) op de topscoorderslijst. Met twee punten voorsprong op Juve worden i Granata dat jaar kampioen, voor het eerst sinds Il Grande Torino.

Ook nu slaat de euforie al snel om in tragedie. De geliefde Capitano Ferrini wordt namelijk een paar maanden na die titel getroffen door een tweetal hersenbloeding. De eerste in augustus komt hij nog te boven, maar de tweede werd hem fataal. De Toro-supporters, die nog nauwelijks zijn bekomen van het verlies van hun Vlinder, moeten nu hun Capitano voor zijn 38e verjaardag ten grave dragen. 

6e AKTE: LENTINI EN DE GOUDEN JEUGDLICHTING

In tegenstelling tot het verlies van de gehele selectie bij de Superga-ramp en hun sterspeler bij het ongeluk van Meroni, raakt de dood van Ferrini de selectie niet op sportief vlak. Net als in het kampioensjaar een seizoen eerder, maakt Torino ook in de volgende kampioenschappen kans op de titel. Tot aan het midden van de jaren ‘80 behoren i Granata tot de top van de Serie A. Dan glijdt de club plots snel weg. Al voor het einde van het decennium degradeert Torino naar de Serie B.

Om terug te keren naar het hoogste niveau valt men terug op de jeugdopleiding. Op dat moment zwaait Sergio Vatta daar de scepter. Dat de man nog altijd geldt als een belangrijke inspirator voor Italiaanse jeugdtrainers is met name te danken aan de periode aan het begin van de jaren negentig, waarin hij een opvallend talentvolle lichting naar de Serie A begeleidt. De belangrijkste namen uit deze lichting zijn spelers als Dino Baggio, Diego Fuser, Christian Vieri en Gianluigi Lentini.

GIGI LENTINI

Die laatste geldt als de parel van de club als Torino onder leiding van de geliefde coach Emiliano Mondonico terugkeert naar niet alleen de Serie A, maar zelfs ook de Europese top. Vooral de Ajax-fans zullen zich nog de Europa Cup-finale tussen hun club en Toro in 1992. Nadat Torino in de halve finale Real Madrid had verslagen, wachtte hen in de finale een dubbele confrontatie met de Amsterdammers. Na een 2-2 gelijkspel in Turijn, stond het houtwerk de Italianen in de return in de weg. Driemaal werd paal en lat geraakt, wat de uiteindelijk 0-0 uitslag extra pijnlijk maakte voor de Italianen.

De jonge buitenspeler Lentini weet zich dankzij zijn goede prestaties in de belangstelling van de topclubs in de Serie A. De Italiaanse competitie is dan de grootste en rijkste ter wereld. Bij Milan heeft Fabio Capello de sterrenformatie van Arrigo Sacchi overgenomen, terwijl Juventus een onkarakteristiek onsuccesvolle periode kent. Sinds het vroege pensioen van Michel Platini heeft de club geen titel meer behaald en men wil met het grote geld de Milanese dominantie doorbreken. Milan wil niet wijken voor de bianconeri en er ontstaat een strijd tussen de twee clubs om de handtekening van Lentini.

ONGELUK

Dit keer kunnen de fans van Torino hoog en laag springen, hun groeibriljant was niet meer te behouden. Het was Milan dat uiteindelijk met het meeste geld op de proppen kwam en voor een recordbedrag vertrok Lentini naar Milaan. Zijn verblijf in de modestad zou echter geen succes worden. Na een aanpassingsjaar waarin de club kampioen werd en de finale van de Champions League bereikte, maar de speler zelf duidelijk nog moest wennen, leek hij klaar om in zijn tweede jaar definitief door te breken tot de wereldtop. Weer gooide een auto-ongeluk roet in het eten. In tegenstelling tot de spelers die Torino trouw bleven, overleefde hij het ongeluk wel, maar hij zou nooit meer dezelfde zijn.

Nadat zijn verblijf in Milaan op een teleurstelling was uitgelopen, keerde de verloren zoon in 1997 terug naar Turijn. Torino was een jaar eerder gedegradeerd en in zijn tweede seizoen terug hielp hij de club te promoveren naar de Serie A. I Granata zouden echter een jaar later alweer degraderen. Het zou bovendien Lentini’s laatste seizoen op het hoogste niveau zijn. In de krochten van het Italiaanse voetbal bracht hij de winter van zijn carrière door. In 2012 beëindigde hij uiteindelijk zijn voetballersloopbaan, zestien jaar na zijn laatste van dertien interlands en ver verwijderd van het Europese podium dat hij op jonge leeftijd bestormd had.

EPILOOG

In de zomer dat Lentini zijn schoenen aan de wilgen hing – en zeven jaar nadat de club failliet ging onder Attilio Romero -, promoveerde Torino naar de Serie A, waar ze ook nu nog bivakkeren. Kort na de promotie klom de club naar het linkerrijtje en er werd intussen zelfs meerdere malen kwalificatie voor Europees voetbal afgedwongen. De afgelopen anderhalf jaar is het echter weer onrustig in het Stadio Olimpico Grande Torino. Conservatief beleid heeft Torino teruggeslagen op de ranglijst. Sterspeler Andrea Belotti blijft een zekerheid voor doelpunten, maar verder wordt er veel geld uitgegeven aan oudere middelmaat, terwijl er uit de ooit bewierookte jeugdopleiding nauwelijks nog talenten doorbreken. Dit seizoen lijkt er een te worden die in het teken zal staan van de strijd tegen degradatie. Een nieuw Grande Torino lijkt vooralsnog ver weg, maar statistisch gezien kan tragedie bij deze club dan weer niet ver weg zijn.

Kunt je geen genoeg krijgen van Buitenlands voetbal, luister dan onze FC Buitenland Podcast! Onze eigen Jaron Blonk, FOX Sports-commentator Martijn van Zijtveld en Quincy Richardson bespreken in een uur tijd alles wat je moet weten over de vier grootste competities van Europa.