Rode Ster Belgrado, vereniging in een verscheurd land

26 november 2020 - 13:42

In de voetbalgeschiedenis hebben vele teams de top weten te bereiken, maar lang niet allemaal slaagden zij erin daar te blijven. Hoe liep het af met de teams die van de rots kukelden? In deze serie verhalen achter de vergane glorie en hoe het nu gaat met de clubs die ooit de trotse kampioenen waren. Vandaag laten we ons licht schijnen over de laatste Oost-Europese club die de Europa Cup I won: Rode Ster Belgrado.

Door: Sander Grasman

TITO

Na het overlijden van president Josip Broz Tito in 1980 ging Joegoslavië politiek een verhit decennium in. Met Tito was het cement dat de republiek bij elkaar hield weggevallen. De verschillende deelrepublieken gingen elkaar naar het leven staan en men stevende in een rechte lijn af op totale escalatie. Die kwam er ook in de vorm van een grootschalige burgeroorlog en gedurende de jaren negentig riep de ene na de andere deelstaat onafhankelijkheid uit. Het betekende het einde van de republiek Joegoslavië, maar daarmee viel ook een gouden generatie voetballers uit elkaar.

Dat aan het eind van de jaren tachtig een goede lichting Joegoslavische voetballers zich aandiende, bleek al op het Jeugd WK van 1987 in Chili. Dankzij overwinningen op Brazilië en West-Duitsland kroonde een selectie met onder anderen Robert Prosinečki, Zvonimir Boban, Davor Šuker, Robert Jarni, and Predrag Mijatović zich tot wereldkampioen. Een prestatie die des te indrukwekkend is, als je bedenkt dat Siniša Mihajlović, Vladimir Jugović en Alen Bokšić thuis waren gelaten om in de eigen competitie ervaring op te doen.

DE GROTE VIER

Bij Rode Ster Belgrado hadden ze het enorme potentie van de nieuwe generatie in de smiezen. Op de burelen van die club werd in hetzelfde jaar dat het WK in Chili werd gewonnen een vijfjarenplan – een typisch communistische hobby – opgesteld. In die periode moest niet alleen nationaal succes behaald worden, maar werd het vizier zelfs internationaal gericht. De ambities van de club waren grenzeloos. De basis voor dat succes moesten de wereldkampioenen uit Chili vormen.

In die tijd werd het Joegoslavische voetbal gedomineerd door de ‘Grote Vier’: Dinamo Zagreb en Hajduk Split uit Kroatië en de twee Belgradose clubs Partizan en Rode Ster. Om de eigen competitie te domineren, moest Rode Ster dus voornamelijk met deze drie concurrenten afrekenen. Met eigen talenten en het aantrekken van de beste spelers van andere clubs moest de strijd in eigen land zo snel mogelijk beslecht worden, zodat de focus al snel op Europa gericht kon worden.

STOJKOVIĆ

Dragan Stojković was de eerste jonge ster die naar het Marakana in Belgrado kwam. De aanvaller was op jonge leeftijd doorgebroken bij de club uit zijn geboortestad, Radnički Niš. Hij was net te jong om de gloriedagen van die club mee te maken. In het jaar dat hij zijn debuut maakte, zag hij ze namelijk de halve finale van de UEFA Cup bereiken – na overwinningen op Napoli en Feyenoord -, maar verder dan dat ene debuutoptreden zou hij dat seizoen niet komen. In 1985 was hij er wel bij toen Radnički Niš verrassend degradeerde. Het vormde de opmaat voor zijn vertrek richting Belgrado.

Het aantrekken van Stojković was het startschot van een verzamelwoede. Binnen een paar jaar werden zo veel mogelijk van de jonge Joegoslavische talenten naar Marakana gehaald. Keeper Stevan Stojanović en Jugović konden worden overgeheveld uit de eigen jeugdopleiding. De rest van de selectie moest uit andere delen van de republiek worden gehaald, om te beginnen met de sterren van die Jeugd WK-ploeg. De in Duitsland geboren Kroaat Prosinečki was in 1987 de eerste die aankwam in Belgrado. De 18-jarige spelmaker had het seizoen daarvoor pas twee wedstrijden in de hoofdmacht van Dinamo Zagreb gespeeld, maar was in conflict gekomen met trainer Miroslav Blažević. 

SAVIĆEVIĆ

Met ook nog de Bosniër Refik Šabanadžović in de verdediging erbij begon de selectie langzaam vorm te krijgen. Zeker toen een jaar later ook nog de Montenegrijnse stylist Dejan Savićević volgde, met in zijn kielzog de Macedoniërs Pančev en de getalenteerde verdediger Ilija Najdoski. In Pančev en Savićević had Rode Ster de sterkste spelers bij de concurrentie weggesnoept en leek nationale dominantie slechts een kwestie van tijd. Men bleek echter nog even geduld te moeten hebben.

In 1989, pas het derde van de vijf uit het meerjarenplan, toonde Rode Ster ook in de Europa Cup I al aan op de goede weg te zijn met het ingeslagen traject. Hoewel de ploeg al ten onder ging in de tweede ronde, was de manier waarop een goed voorteken. Tegen het beste team ter wereld, het AC Milan van Sacchi en de Nederlandse drie-eenheid, leek de ploeg in eerste instantie zelfs te gaan overleven. Na een verdienstelijke 1-1- in San Siro, namen de Joegoslaven in eigen huis namelijk brutaal de leiding. Vanwege dichte mist werd die wedstrijd echter afgeblazen en moest die de volgende dag volledig overgespeeld worden. Men kwam het openingsdoelpunt van Marco van Basten uiteindelijk nog wel te boven, maar na penalty’s trokken ze alsnog aan het kortste eind.

MIHAJLOVIĆ

In eigen land ontdekte men dat jaar, dat nog  één puzzelstukje op het bord van een ander bleek te liggen. Het Bosnische Vojvodina kroonde zich in 1989 namelijk verrassend tot Joegoslavisch kampioen, mede dankzij de jonge Sinisa Mihajlović. Het zal niemand verbazen dat die zomer de vrijetrappenspecialist meteen zijn koffers mocht pakken om zich te melden in Belgrado. Hoewel daarmee het gewenste Dream Team voor de eigen competitie compleet was, bleek in de UEFA Cup van dat jaar, dat voor internationaal succes nog één versterking vereist was. De ploeg beschikte namelijk over een surplus aan creatief en aanvallend talent, maar de defensieve gebreken werden door het 1. FC Köln van Pierre Littbarski pijnlijk blootgelegd. Ondanks een thuisoverwinning van 2-0, twee doelpunten van Savićević, kon men het in de return in Keulen horen donderen. Terwijl de ploeg niet eens zozeer de mindere van de twee teams was, moest men drie treffers incasseren zonder zelf tot scoren te komen.

De verdedigende versterking werd ze nagenoeg in de schoot geworpen. Miodrag Belodedici, behorend tot een Servische minderheid in Roemenië, had in 1986 nog de Europa Cup I gewonnen met Steaua Boekarest, maar ontvluchtte in 1988 de almaar verstikkendere dictatuur van Nicolae Ceaușescu. Voor zijn vlucht werd hij geschorst door de UEFA (en in Roemenië zelfs tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld), maar zodra hij speelgerechtigd was, completeerde de Roemeense libero, die met zijn elegante manier van verdedigen al snel de bijnaam ‘Het Hert’ verdiende, het verdedigingsblok van Rode Ster. 

VELDSLAG IN KROATIË

Dat het land in die tijd politiek een vat buskruit was, kwam misschien nog wel het duidelijkst aan het licht tijdens een wedstrijd tussen Dinamo Zagreb en Rode Ster. Op 13 mei 1990 troffen beide ploegen elkaar in het Maksimirstadion van Dinamo. Er stonden nauwelijks tien minuten op de teller, toen de vlam in de pan sloeg. Supportersgroepen van beide ploegen gingen elkaar te lijf. Hoewel het duel dus gespeeld werd op Kroatisch grondgebied, was de dienstdoende politie-eenheid Servischgezind. Dinamo-aanvoerder Boban nam aanstoot aan de behandeling van zijn landgenoten en deelde een trap uit aan één van de dienders. Zijn actie zou de boeken ingaan als ‘De Trap die een oorlog inluidde’.

De sportieve opmars van Rode Ster zette onverminderd voort. Zelf het verlies van misschien wel de beste Joegoslavische speler van dat moment, Stojković, na het WK ‘90, kon de opmars van de club niet meer beteugelen. Het ultieme sterrenensemble van dat moment, het Olympique Marseille van Bernard Tapie, was in Italië overtuigd geraakt van de talenten van Stojković en besloot hem naar Zuid-Frankrijk te halen. Daar paste hij naadloos tussen sterren als Jean-Pierre Papin, Afrikaans voetballer van het Jaar Abedi Pele, Chris Waddle, Eric Cantona en Jean Tigana. 

DE BEKRONING

In Belgrado beschikte men echter ook over genoeg talent om het gemis van hun gewezen sterspeler op te vangen. Prosinečki was de spelmaker op het middenveld. De technisch vernuftige middenvelder stond aan de basis van bijna alle Rode Ster-aanvallen. Voorin vond hij in het duo Savićević-Pančev gretige afnemers van zijn passjes. De lichtvoetige dribbelaar Savićević was snel en de meer creatieve van de twee, terwijl Pančev een dodelijke afmaker pur sang was. Bovendien kon de ploeg ook uit dode spelmomenten veel gevaar stichten. In Prosinečki en Mihajlović beschikten ze over uitstekende specialisten.

ZONDER GELUK VAART NIEMAND WEL

In 1991 kwam alles samen voor de club uit Belgrado. In eigen land was men oppermachtig en nu volgde eindelijk ook dat zo gedroomde Europese succes. Met grote overmacht werden de eerste drie ronden van de Europa Cup I doorstaan. Met kinderlijke eenvoud gingen de scalpen van achtereenvolgens Grasshoppers, Glasgow Rangers en het Oost-Duitse Dynamo Dresden aan de riem. Die overwinningen brachten de Joegoslaven in de halve finale tegenover Bayern München. In het Olympiastadion boog Rode Ster een achterstand om in een 1-2 overwinning en vol vertrouwen keerde men terug naar het eigen Marakana voor het terugduel twee weken later.

Daar bleken de Duitsers, niet geheel verrassend, toch nog een lastige noot om te kraken. Tot de negentigste minuut stond namelijk dezelfde score als uit het heenduel op het bord en dus leken verlengingen onvermijdelijk. Een curieus eigendoelpunt van Klaus Augenthaler bracht daar in de slotseconde verandering in. Rode Ster mocht zich gaan opmaken voor een tweestrijd met de verloren zoon Stojković, want zijn Marseille zou de tegenstander worden in de finale.

AFBRAAK

Rode Ster-coach Ljupko Petrović koos ervoor om in de finale de wedstrijd dood te spelen. Ze zouden het de Fransen onmogelijk maken om hun eigen spel te spelen en intussen zelf geen aanvallende ambities aan de dag leggen. ‘Als we de bal veroveren, geven we die meteen weer terug,’ luidde zijn devies voor de wedstrijd en dat is exact wat er gebeurde. Het resultaat was een doodsaaie 0-0. De tactische keuze was het gevolg van een onmetelijke vertrouwen in het eigen talent voor penalty’s en dat werd uitbetaald. Alle vijf de Joegoslavische pingels werden verzilverd en omdat Frans-international Manuel Amoros de zijne al direct gemist had, ging de beker met de grote oren naar Belgrado.

Lang kon men daar niet genieten van het succes. Binnen twee zomers, mede ten gevolg van de uitgebroken burgeroorlog, stroomde de winnende selectie uit elkaar. Savićević vertrok naar Milan, waar hij nogmaals de Europa Cup I zou winnen, terwijl Pančev in diezelfde stad voor de nerazzurri zou gaan spelen. Ook Mihajlović’ toekomst lag in Italië, waar hij uitkwam voor Roma, Sampdoria, Lazio en Inter – en ook als trainer vele clubs versleet. Hoewel Prosinečki zowel de kleuren van Real Madrid als Barcelona zou verdedigen, werd zijn verdere loopbaan voornamelijk getekend door blessureleed. Sprankjes van zijn oude talent deden af en toe de fijnproevers likkebaarden, maar het was te weinig en te gefragmenteerd. Steeds verder zakte hij weg in het voetbalmoeras, tot hij er in 2005 de brui aangaf.

IN DE EUROPESE MARGE

Rode Ster zelf verging het niet veel beter. De club moest een jaar na de bekerwinst de trofee verdedigen buiten de eigen door oorlog verscheurde landsgrenzen. Al in de groepsfase – het was de laatste editie voor het intreden van de Champions League, maar de eerste met een groepsfase – viel het doek. Sindsdien kenden ze financiële problemen, bestuurlijke crises en raakte Europees succes steeds verder uit beeld. Naast de herwonnen hegemonie in de Servische SuperLiga moet Rode Ster het internationaal tegenwoordig doen met kleinere lichtpuntjes. Al was de eerste Servische overwinning in de Champions League er wel eentje om trots op te zijn. Liverpool werd in Belgrado met 2-0 verslagen. In een sterke poule met PSG, Napoli en de Engelsen werd de ploeg uiteindelijk toch vierde, omdat alle vijf de andere duels verloren gingen. Dit jaar sneuvelde men in de derde kwalificatieronde tegen Omonia Nicosia.

De zoetste vruchten van deze generatie zouden nooit geplukt kunnen worden. Wat had kunnen zijn in het Joegoslavische voetbal, zal dus altijd een van de grotere mysteries in het mondiale voetbal blijven. Het Europese succes van Rode Ster Belgrado is echter een mooie indicatie van de potentie die er in de uiteengevallen republiek te vinden was. Met het uiteenvallen van Joegoslavië lijkt het Servische voetbal op een lager plan beland te zijn. Zelfs kwalificatie voor een Europees toernooi blijkt vaak al lastig, laat staan dat het daarin de topploegen uit Engeland, Spanje, Duitsland en Italië een heet avondje kan bezorgen. Misschien dat er ooit weer een gouden generatie opstaat, maar zelfs dan lijkt het niet logisch dat een Servische club die lang genoeg bij elkaar zou kunnen houden. Vooralsnog zal men het in Belgrado met de herinneringen moeten doen. Herinneringen aan het jaar dat Prosinečki, Savićević, Pančev, Mihajlović de beste waren van allemaal.

Kunt je geen genoeg krijgen van Buitenlands voetbal, luister dan onze FC Buitenland Podcast! Onze eigen Jaron Blonk, FOX Sports-commentator Martijn van Zijtveld en Quincy Richardson bespreken in een uur tijd alles wat je moet weten over de vier grootste competities van Europa.