8 minuten

Al sinds mijn jeugd ben ik groot fan van de club. Als klein jongetje kreeg ik van Spaanse familie speldjes, foto’s en plaatjes van toenmalige spelers en een bouwpakket van het stadion opgestuurd. Ik ben opgegroeid met de adoratie voor Johan Cruijff en mannen als Romario, Stoichkov en Guardiola. Het is me met de ‘Peplepel’ ingegoten, zeg maar.

De club, het stadion, de spelers. Het heeft me van jongs af aan gefascineerd. Om nog maar te zwijgen van de verhalen eromheen. De onderdrukking van de regio Catalonië onder het regime van Generaal Franco. Het verbod op Catalaanse symbolen of typisch Catalaanse namen. Een opgelegd gebrek aan identiteit en trots van de mensen uit de regio. En vooral de manier waarop de Catalaan, midden jaren ’70, die identiteit en trots terugkreeg. Dankzij het voetbal, dankzij FC Barcelona, dankzij Johan Cruijff.

Het komt niet als een verrassing dat ik dan ook geen genoeg kan krijgen van de duizelingwekkende voetbalshow die ze inmiddels ontelbare malen hebben opgevoerd. En ik kan best leven met wat sommigen er tegenwoordig van vinden. Saai, eentonig, balbezit hebben om maar balbezit te hebben, vervelende maniertjes van spelers als Busquets en Alba. Ik snap dat sentiment ergens wel, ik kan er alleen maar moeilijk in meegaan.

Het Barcelona van de afgelopen tien jaar is een wervelwind. Een spoor van zowel vernieling als verwondering achterlatend, door de ene zege aan de andere te rijgen. De Dikke van Dale had wervelwind sinds 2006 al met een ‘t’ moeten schrijven.

Iedere tegenstander die de domme pech heeft gehad erbij in de buurt te zijn gekomen, werd vroeg of laat de alsmaar dieper wordende trechter ingezogen, door een superioriteit en een spelvreugde die maar heel weinig teams in de geschiedenis van de sport over zo’n lange periode hebben geëtaleerd. En dan is daar nog Lionel Messi, de belichaming van bovennatuurlijke betovering.

Genoeg reden voor mij om het weer eens van dichtbij te aanschouwen en nu even terug te blikken op de betovering tijdens de Derbi de Catalunya, FC Barcelona – Espanyol.

Romario in Roden
Terwijl ik het metrostation Les Corts uitloop en langs de Travessera de les Corts wandel, wordt het gevoel van opwinding steeds groter. Duizenden mensen die dezelfde kant op gaan, allemaal met dezelfde hoop en dezelfde verwachting. Een glimp van magie opvangen. Alleen zo’n optocht is het wat mij betreft soms al allemaal waard. Waar sommige mensen uitkijken naar pracht-en-praal-optochten tijdens carnaval in Rio, de St. Patrick’s Day Parade in Dublin of De Bloemencorso in Eelde, daar heeft de optocht naar een voetbalstadion, voor aanvang van een willekeurige wedstrijd, altijd een magische werking op mij gehad. Het is, zelfs nu nog, niet veel anders dan de kinderlijke opwinding die ik voelde toen ik vroeger als klein jongetje voor de eerste keer een wedstrijd bezocht.

Die eerste keer was ergens tijdens de late zomer van de vroege jaren ‘90 in het, inmiddels niet meer in gebruik zijnde, Oosterpark. Het grote FC Barcelona van toen, had die week een trainingskamp afgewerkt in het Drentse Roden en sloot dit af met een oefenwedstrijd tegen FC Groningen. Twee jaar later vond eenzelfde trainingskamp weer plaats. De mooiste optocht was echter niet richting Het Oosterpark, maar langs de Norgerweg in Roden. Tijdens die trainingskampen dwaalde ik dagenlang rond op Sportcentrum De Hullen en zag, samen met mijn vader, het voltallige Dream Team, dat rond die jaren de eerste Europa Cup 1 namens de club won, enkele meters van mij vandaan hun trainingen afwerken.
Duizenden vaders en zonen kwamen naar het complex om te genieten van het beste wat voetbal op dat moment te bieden had. Of nou ja, vooral de vaders. De zonen lieten op bijveldjes ongeveer het slechtste zien wat voetbal destijds te bieden had. De ene waande zich Romario, de ander Stoichkov. Ik weet nog dat ik dat niet echt begreep. Romario of Stoichkov speel ik morgen wel weer op het schoolplein, dacht ik. Nu kan ik de echte Romario en Stoichkov nog even zien. Dus dat was wat ik de hele dag deed. Ik keek mijn ogen uit, maar wist alsnog niet wat ik zag.

Het orakel onstijgt
Onder leiding van Johan Cruijff speelden wereldsterren als Koeman, Laudrup, Amor en Guardiola een positiespelletje. En als de Grote Meester er zin in had, deed hij vrolijk mee. Gelukkig voor het publiek hij had er eigenlijk de hele dag wel zin in. Zo kinderlijk opgewonden als ik hier nu naar het stadion, zijn stadion, loop, zo kinderlijk opgewonden moet hij zich iedere dag hebben gevoeld. Daar, of waar dan ook op een traingingsveldje. Bij ieder balcontact moet hij zich toch ook zelf hebben gerealiseerd dat niet Romario, Guardiola, Koeman of Amor de beste was, maar hij. Tussen z’n oren, via z’n ogen en zelfs met z’n voeten liet hij zien dat hij, zelfs toen nog, van een niveau was waar alle andere speler op dat veld alleen maar van konden dromen.

De bewondering voor Cruijff werd bij mij versterkt door het lichte elleboogstootje dat ik van mijn vader kreeg en zijn wijzende vinger richting de oude meester, op ieder moment dat hij de bal dreigde te ontvangen. “Hij is nog steeds de beste”, “hoe goed moet hij op zijn twintigste geweest zijn” en “let je goed op!” was alles wat mijn vader op die dagen tegen me zei. Die woorden, en alles wat ik op dat trainingsveld bevestigd zag, zorgden voor een levenslange adoratie. Ik keek alleen maar en antwoordde, voor zover ik weet, niet eens.
Aan het einde van de training, waarschijnlijk als Cruijff zelf vond dat hij wel weer even genoeg boven alles en iedereen was uitgestegen, daalde hij terug op aarde en nam hij, net zolang als de training duurde, de tijd om handtekeningen uit te delen, op de foto te gaan en praatjes te maken.

En toen Jopie uit Betondorp ons allemaal had gegeven waar we voor kwamen, nam hij de voltallige selectie weer mee richting het nabijgelegen hotel. Met z’n allen op de fiets. Hun trainingskleding nog aan, voetbalschoenen met de veters aan elkaar gestrikt, hangend om hun nek, lachend en zwaaiend naar de duizenden toeschouwers. Braziliaanse brille, Spaanse souplesse en Deens dynamiet, lichtjes trappend achter de man die voorop fietst en hen de weg wijst. De man die ons allemaal in zekere zin de weg heeft gewezen. En ik was erbij, samen met mijn vader. Het was een optocht van spelers voor de mensen, in plaats van andersom, en het was de mooiste die ik ooit zou meemaken.

De krochten van Camp Nou
Maar ook deze is fijn. Terwijl de zon aan de andere kant van het stadion heel langzaam zijn laatste stralen begint te verliezen, wint de eerste schittering het in de ogen van de mensen om me heen. Want ook al is het un partido muy importante, de angst om vandaag te verliezen voelt men hier geenszins. Dat alle grote sterren aan de aftrap verschijnen vergroot het vertrouwen en de eerste klanken van het clublied, Cant del Barca, beginnen langzaam hun intrede te doen op straat.

Zodra de poorten naar de voetbalhemel opengaan, zie ik het vertrouwen in en de hoop op een goede afloop bij sommige mensen toch als sneeuw voor de Catalaanse zon verdwijnen. Hoop maakt plaats voor angst zodra ze hun eerste voetstappen richting de ingang zetten. Alsof ze net op hun telefoon het nieuws hebben doorgekregen dat Messi en Iniesta op het laatste moment geblesseerd zijn afgehaakt. Door twee mannen voor mij in de rij begrijp ik ineens waar de angst vandaan komt. Valse kaarten. Rechtsomkeert verlaten ze heaven’s playground in ruil voor een avondje de hel van de huiskamer. De zwarte markt floreert bij de successen van de plaatselijke FC.

Ik ben relatief vroeg in het stadion om niets te missen. Waar het machtige bouwwerk zelf niets van mist, is de tand des tijds. Het is oud en hier en daar al haast vervallen. Ik herinner me mijn recente bezoeken aan Londen. Het poepsjieke Emirates en het nieuwe Wembley. En nu loop ik hier door de krochten van Camp Nou. Het is van Darth Vader terug naar The Godfather.

Kleine wereld vs klein wereldje
Na even stil gestaan te hebben bij de oorverdovende stilte van een leeg Camp Nou, zoek ik mijn plek op. Ik had niet bepaald front row tickets. Sterker nog, toen ik eenmaal zat voelde het alsof ik de enkele kilometers verderop liggende berg Tibidabo, tot de top had beklommen. En tóen ik eenmaal zat, was het precies de top van die berg, aan de overkant van de stad, wat ik zag liggen. De avond valt over de stad en supporters druppelen binnen. Het is niet per definitie Catalaans wat ik om me heen zie. Het is misschien zelfs één van de meest multiculturele plekken waar ik ooit geweest ben. Uit werkelijk iedere uithoek van de wereld stromen mensen binnen. En ik vind het mooi om te zien.

Natuurlijk hebben traditionele Engelse clubs als Millwall en Leeds United hun charmes. Waar de supporters op een steenworp afstand van het stadion wonen. Mannen die de club echt de club maken. Mannen die in de wijk geboren zijn en sindsdien opgegroeid, of zelfs vergroeid, zijn met de club. Die als vijftienjarige Engelse straatschoffies hun eerste meisje scoorden, het liefst een buurmeisje of achternichtje, in een smerige dug-out van een van de vervallen trapveldjes in de wijk. En die nu op zaterdagochtend het verkeer op straat staan te regelen omdat ze verder toch niets te doen hebben, aangezien thuis de keuze is gesteld tussen het gezin of de club en dat niet eens een keuze is, om vervolgens ‘s middags hun longen uit het veel te zware getatoeëerde lijf te schreeuwen omdat het nog slechter gaat dan de week ervoor en ze nu al vier jaar achtereen ternauwernood degradatie wisten te ontlopen.
Ja, dat is hier niet.


De allergrootste ster

Zodra de spelers het veld betreden voor de warming-up gaan de eerste sidderingen door Camp Nou. Alleen dit is al een genot om te zien. Terwijl het volstroomt, gaat naast mij een vader met zijn zoon zitten. Het ventje kijkt verdwaasd om zich heen, maar aan alles zie ik dat hij het prachtig vindt.
Zodra de wedstrijd op het punt van beginnen staat, galmt het Cant del Barca door de speakers en kelen. Kippenvel, echt kippenvel. Nog meer kippenvel kreeg ik toen de wedstrijd eenmaal begonnen was. Want dat wat mij vroeger over Cruijff geleerd werd, dat je er vooral heel erg veel naar moet kijken, is precies wat deze vader zijn zoon leert over Messi. Telkens wanneer Messi de bal dreigt te ontvangen, hoor ik naast mij: “Mira, mira, mira”. Het ventje kijkt zijn ogen uit en weet, net als ik toen, niet wat hij ziet. Ik zie mezelf weer zitten op dat sportcomplex in Roden en ik zie Johan Cruijff weer boven alles en iedereen uitstijgen, zoals Messi dat vanavond doet.
Het wordt de wervelwind zoals wij die inmiddels al zo vaak hebben gezien. 1-0 Messi, 2-0 Suarez, 3-0 Suarez, 4-0 Rafinha, 5-0 Neymar. Het is de show waaraan we al haast gewend zijn geraakt. De trechter waarin Espanyol, net als vele andere clubs, andermaal in is opgeslokt. En ik vraag me, terwijl het stadion weer rustig leegdruppelt, echt af of er ooit nog een sportploeg komt die over zo’n lange periode zoveel voetballiefhebbers, en met zoveel machtsvertoon, keer op keer weer in vervoering zal kunnen brengen.

Ik neem even een moment om tot bezinnen te komen. Te genieten vooral. Niet per sé van de ‘wedstrijd’ die ik had gezien, de goals, de momenten van genialiteit of de top van de Tibidabo. Ik geniet vooral van de absolute toppen die dit immense stadion inmiddels ook zelf bereikt heeft. Niet alleen veel trainers, teams en spelers kenden hier hun absolute hoogtepunten. Ook dit Camp Nou is door de jaren heen een boegbeeld voor de sport geweest. Veel wedstrijden of gebeurtenissen, lijken in sommige arena’s nou eenmaal mooier dan in een ander.

En deze goddelijke tempel is daar een voorbeeld van. Hier kan een speler door de mand vallen of een heel team door de ondergrens zakken, maar dan is er altijd nog het stadion zelf, dat zo nu en dan zelfs boven die verrekte berg uitstijgt. Zelfs wanneer Barca slecht speelt of het moeilijk heeft, of die kleine Argentijnse grootheid heeft, in tegenstelling tot vanavond, eens een mindere dag, dan is het Camp Nou dat herrijst en door honderdduizend kelen “Meeessi, Meeessi, Meeessi” laat galmen, alsof miljoenen hemellichamen roepen om de hulp van hun allergrootste ster.