2 minuten

Afgelopen zondag, op een honkbalveld in de Bronx, New York. Thuisbasis van de New York Yankees. Een niet meer dan 6 minuten durende invalbeurt, tijdens een wedstrijd waar er niet veel meer op het spel stond. Enkele duizenden ‘soccerfans’ op de tribune. Het contrast tussen een schilderachtige loopbaan en het doek waarmee die valt, had niet groter gekund. Terwijl er in Amerika naar de echte schoonheid van het voetbal nog steeds een ontdekkingsreis gaande is, speelde de belichaming van die schoonheid zijn laatste wedstrijd. Tegen Columbus Crew nota bene. Andrea Pirlo nam afscheid van de voetbalwereld. De voetbalwereld helaas niet van Andrea Pirlo.

Door Bart de Ruiter

Alles aan Pirlo was voetbal. Alles aan Pirlo was mooi. Zijn kapsel, zijn blik, zijn stijl. En alles aan Pirlo was Italiaans. Geheel in stijl was zelfs Pirlo schuldig aan matchfixing. Hij maakte met voorkennis misbruik van zijn rechtervoet, handelde in tijd en ruimte en verkocht assists die een wedstrijd beslisten. Echt alles aan Pirlo was mooi. Pirlo had swag nog voordat swag bestond. Zijn techniek was mooier dan Ronaldo’s fysiek, zijn baard ongeëvenaard.

In zijn biografie schreef hij: “Voetbal speel je met je hoofd. Je voeten zijn slechts hulpmiddelen.” I think therefore I play. Oud-teamgenoot Gennaro Gatusso zei eens: “Altijd als ik Pirlo aan de bal zie, vraag ik me af of ik mezelf überhaupt wel als voetballer mag beschouwen.” Hij raakte de juiste snaar. Pirlo was vaak de enige echte artiest in zijn eigen toneelstuk, omringd door 21 figuranten. Eén van de laatste echte artiesten in een tijdperk van topatleten. En hij speelde de hoofdrol. Een rol die voor altijd verbonden zal zijn aan de manier waarop hij de taken van zijn positie invulde. Die ‘Pirlo rol’ zal over 20 jaar, door veel verdedigende middenvelders, nog steeds worden nagestreefd. Velen zullen falen. En iedereen die in de buurt komt zal alsnog ver verwijderd zijn van het gemak en de schoonheid waarmee Pirlo het tijdens zijn carrière deed. Sterker nog, Pirlo had niet eens carrière. Pirlo had een loopbaan. Sprinten was geen enkele noodzaak. En zonder dat iemand het doorhad, stond hij alweer vrij, had ‘ie de ruimte voor hem al gezien en was de bal alweer onderweg. Als Pirlo op Guantánamo Bay had gespeeld, had ‘ie de vrije man nog gevonden.

Hij won alles wat hij kon winnen met zijn clubs en hij bezorgde Italië de wereldtitel. En nergens anders dan in Italië had Andrea Pirlo, sieraad van de Serie A, voor de laatste keer moeten schitteren. Het stadion had stampvol moeten zitten. Spandoeken, vlaggen en fans met zijn portretten op hun t-shirts, hadden het prachtige decor moeten zijn voor het afscheid van de mooiste voetballer van zijn generatie. Maar in plaats van ontroostbare fans voor het leven, kreeg Pirlo een troosteloze verzameling van tijdelijke toeschouwers. De personificatie van een voetballer, speelde zijn laatste wedstrijd op een honkbalveld.

Zijn bijnaam, L’architetto, klonk mooi, maar klopte niet. Pirlo was geen architect. Leonardo da Vinci was een architect. En een uitvinder, ingenieur, filosoof, beeldhouwer, schilder en componist. Pirlo was niets van dat alles. Pirlo was het kunstwerk. Pirlo was de mannelijke reïncarnatie van Mona Lisa. En hij nam, in het land van fastfood, een veel te snelle hap van wat zijn Laatste Avondmaal had moeten zijn.